Leesclubvragen

De vragen volgen spoedig.

Zeven vragen aan Ayesha Harruna Attah

  1. Wat heeft je geïnspireerd om De honderd waterputten van Salaga te schrijven?

Een paar jaar geleden kwam ik erachter dat mijn betovergrootmoeder als slaaf op de slavenmarkt van Salaga was terechtgekomen. Toen ik probeerde meer over haar te weten te komen, liep ik tegen obstakels aan. De mensen wisten gewoon niet zoveel over haar, of ze wilden niet praten. Door dit boek kreeg ze de kans om via mij haar stem te laten horen. Ik had berekend dat ze in Salaga was tijdens een roerige periode in de geschiedenis van de regio. Behalve dat verschillende clans, ook wel gates genoemd, rivaliseerden om de macht over het gebied, wilden ook de Europeanen toegang krijgen tot Salaga, omdat het een toegangspoort was tot de binnenlanden van West-Afrika.

  1. We weten veel minder over binnenlandse slavernij in Afrika dan over de trans-Atlantische slavenhandel. Hoe heb je de research voor de roman aangepakt? Moest je ook naar archieven in Salaga?

Ik kwam voor het eerst in Salaga in 2012. Een oom van me, die inmiddels overleden is, leidde me rond over de slavenmarkt, nu een overslagplaats voor bestelbusjes, naar de waterpoelen waarin de slaven werden gewassen voordat ze naar de markt werden gebracht om geveild te worden, naar de honderd waterputten die als stippeltjes het landschap sieren en tegenwoordig drinkplaatsen voor koeien zijn, en naar het museum, dat een paar kettingen tentoonstelt waarmee de slaven vastzaten, net als de wapens waarmee ze gevangen werden. De meeste plaatsen waren overwoekerd. Het museum stond er vervallen bij. Het was duidelijk dat er niet veel mensen waren die wisten van dit aspect van de Ghanese geschiedenis. Ik las een heleboel en bracht een aantal dagen door in het Schomburg Center in Harlem en in de Balme-bibliotheek aan de Universiteit van Ghana. Aan sommige boeken heb ik veel gehad, zoals Salaga: The Struggle for Power van J.A. Braimah en J.R. Goody, Braimahs The Two Isanwurfo’s en The Salaga Papers van Marion Johnson, een schat aan historische beschrijvingen die een periode van tientallen jaren omvatte, geschreven door Europese reizigers en missionarissen uit Goudkust.

De roman concentreert zich op de periode van vlak voor de oorlog van 1892 tot de val van Salaga door toedoen van Duitse troepen in 1897. Het was een woelige tijd, want niet alleen streden verschillende families met elkaar om de macht over Salaga, ook de Europeanen (Britten, Fransen en Duitsers) drongen het gebied binnen als gevolg van de Koloniale Conferentie van Berlijn in 1884-1885. Het gebied was aanvankelijk tot neutrale zone uitgeroepen, maar Europese landen verbraken hun eigen overeenkomst en begonnen verdragen te sluiten met de lokale koningen.

Door mijn onderzoek heb ik veel geleerd over binnenlandse slavernij in Afrika. In de tijd waarin het boek speelt, was de slavernij, zowel binnenlandse als trans-Atlantische, formeel afgeschaft, maar zoals het boek laat zien was er nog altijd een bloeiende handel. Mensen als Samory Touré en Babatu werden berucht, omdat ze weigerden zich over te geven aan de koloniale machten, maar tegelijkertijd sterk verbonden bleven aan de gevestigde slavernij. De koninklijke elite in De honderd waterputten van Salaga profiteerde net als Touré en Babatu van de slepende strijd om de afschaffing van de slavernij. In Goudkust bijvoorbeeld eisten sommige families compensatie van de Britse regering voor de slaven die ze kwijtraakten.

  1. Dit boek gaat over slavernij, maar evengoed over de interne vetes in de koninklijke elite, en het geeft ons een inkijkje in een zekere aristocratische Afrikaanse gemeenschap. Waarom vond je het zo belangrijk om hierover te schrijven?

Ik wilde erover schrijven omdat we de medeplichtigheid van veel Afrikaanse koninklijke families aan de slavenhandel lang niet onder ogen hebben willen zien. Ik lees verslagen waarin wij worden vrijgepleit omdat binnenlandse slavernij ‘onschuldig’ zou zijn. De redenering achter dit idee is dat een kind van een slaaf niet automatisch ook een slaaf werd zoals elders in de wereld, bijvoorbeeld in Amerika. Toch kregen slaven in de Ghanese traditionele slavernijcultuur wel degelijk namen die hen tot op de dag van vandaag brandmerken. Een andere rechtvaardiging voor deze denkwijze is bijvoorbeeld dat een slaaf kon trouwen in een familie, wat aan de andere kant van de oceaan niet het geval was. Maar gezinnen werden wél uiteengerukt. Mensenlevens werden afgedankt als ze niet ‘rendabel’ genoeg waren.

Vrijheidsberoving is vrijheidsberoving en ik wil over het verleden praten en ermee afrekenen. Als je dat niet doet, blijft het zijn lelijke kop eens in de zoveel tijd opsteken. Toen de wereld in 2017 vernam dat mensen uit landen als Senegal, Gambia en Nigeria in Libië voor enkele honderden dollars werden geveild, leek dat iets uit een ander tijdperk, dat voorbij was om hopelijk nooit meer terug te komen. En toch bleek de slavernij nog steeds door te woekeren. Iedereen sprak er schande van, en terecht. Maar behalve woede voelde ik schaamte: volgens een rapport van april 2017 van de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) werden deze veilingen gefaciliteerd door mensen uit Ghana en Nigeria. Ik kon wel door de grond zakken. Het betekende dat het tijd was om wakker te worden. We moeten de rol erkennen die wij in de slavernij hebben gespeeld – in eigen land, in Noord-Afrika en in de beide Amerika’s – en erkennen dat die rol een wantrouwen heeft doen ontstaan waarvan onze gemeenschappen tot op de dag van vandaag doordrongen zijn. Pas dan kunnen we onze wonden verzorgen en echt vooruitgang boeken.

  1. Het boek is geschreven vanuit de perspectieven van Aminah en Wurche, twee zeer verschillende karakters die ieder een totaal andere sociale positie innemen. Toch schets je een heel complexe, interessante relatie tussen hen. Wat wilde je bereiken toen je hun relatie beschreef?

Er bestaan historische beschrijvingen van vrouwen als Wurche. We weten van koningin

Aminah van Zazzau, koningin Nzinga van Angola, van Yaa Asantewa van de Asante, en zelfs nog eerder, de koninginnen Teje en Hatsjepsoet in Egypte. De daden van koningen zijn vastgelegd in inscripties in steen of in liederen die door griotten werden doorgegeven, en daardoor had ik materiaal waarmee ik Wurches leven kon vormgeven. Voor Wurche waren er dus voorbeelden. Aminahs verhaal moest ik echter in mezelf zoeken. Europese ontdekkingsreizigers schonken in hun geschreven werk zelden aandacht aan vrouwen, dus het was moeilijk om verhalen over niet-koninklijke vrouwen te vinden. Ook al hebben koningsverhalen altijd glamoureus geleken, als je wat dieper graaft, besef je dat vrouwen alsnog aan het kortste eind trokken. Zo zijn de koninginnen of vrouwelijke strijders die Afrika heeft gekend met een lantaarntje te zoeken. Ik wilde benadrukken dat Aminah en Wurche, ook al kwamen ze uit verschillende werelden, als vrouw toch een vergelijkbaar lot hadden. Aminah komt tot deze conclusie en is in staat om zich meer vergevingsgezind op te stellen tegenover Wurche. Wurche zal het echter nooit aan zichzelf toegeven. De twee vrouwen komen nader tot elkaar, misschien wel hierdoor, maar het is een relatie die bestaat in wat er niet wordt gezegd: de twee zwijgen vaak als ze bij elkaar zijn. Wurches gereserveerdheid is een complexe mengeling van superioriteitszin en zich aangetrokken voelen tot Aminah, terwijl die van Aminah een sterk vrijheidsverlangen combineert met compassie voor haar meesteres.

  1. Als je moest kiezen, met wie was je dan liever bevriend, met Aminah of met Wurche?

Ik zou denk ik naar Wurche neigen, juist omdat ze zo zelfverzekerd is en doet waar ze zin in heeft, dat is aantrekkelijk. Maar als ik een vertrouwelinge of een vriendelijk luisterend oor nodig had, zou ik naar Aminah gaan. Dus ik kan niet kiezen!

  1. Jaji is Wurches lerares, maar ze is ook een boeiend personage. Kun je meer vertellen over je beweegredenen om haar in het verhaal op te nemen? En is ze geïnspireerd op een historisch figuur?

Ik houd van mentors. Ik heb bijna mijn hele leven mentorschappen genoten en wilde met Jaji’s personage een buiginkje maken voor de fantastische vrouwen, en mannen, die mij tot nu toe door het leven hebben gegidst. En ja, jaji’s hebben echt bestaan. Aan het eind van de negentiende eeuw leefde Nana Asma’u, dochter van Usman dan Fodio, die in het noorden van Nigeria het Sokotokalifaat stichtte. Zij trainde een groep leraressen die van dorp tot dorp trokken om de vrouwen islamitische waarden bij te brengen en hen aan te sporen om goede moeders en echtgenoten te zijn. De jaji trainde op haar beurt vaak weer nieuwe leraressen. Ze droeg een unieke strooien hoed ter herkenning en gebruikte poëzie om de lesstof over te brengen.

  1. In de literatuur wordt de imperialist vaak neergezet als de slechterik en is hij inhalig en respectloos voor de levens van de onderworpenen. In Salaga komt het Duitse personage Helmut naar voren als een complex en sympathiek mens. Heb je Helmut gebaseerd op een bestaand figuur? Wat had je voor ogen met een zo veelzijdige portrettering?

Helmut is honderd procent verzonnen. Een van de kritieken die ik over eerder werk kreeg, ging erover dat sommige van mijn mannelijke personages nogal tweedimensionaal waren uitgevallen, dus wilde ik voor dit boek volledig ontwikkelde karakters scheppen. Ik wilde ook geen regelrechte slechteriken, want zelfs de aardigste mensen zijn in staat tot wreedheden en mensen die als ‘slecht’ te boek staan, kunnen de aardigste dingen doen. Ik wilde een personage met tekortkomingen, maar wel een dat kritisch kon zijn over zichzelf en de manier waarop zijn landgenoten zich gedroegen.

Print Friendly, PDF & Email
Terug